Vroegste geschiedenis in Ostfriesland
Na de slechts archeologisch te verklaren prehistorie is de vroegste geschiedenis gedeeltelijk via de archeologie, gedeeltelijk via vreemde bijv. Romeinse bronnen te reconstrueren. De berichten van Plinius, Tacitus en Strabon zijn, alhoewel hun uitspraken over aantal, verdeling en vorm van de nederzettingen nogal algemeen gehouden zijn, in zoverre belangrijk, dat ze eens melding maken, dat de Duitse Noordzeekust al rond het begin van de jaartelling bewoond was. Plinius bericht over de Chauken, die onder primitieve omstandigheden in het Waddengebied tussen de Unterelbe en de Unterems leefden. In dit gebied drongen waarschijnlijk tijdens de volksverhuizing van uit het oosten de Saksen en van uit het westen de Friezen binnen en namen het kustgebied blijvend in bezit.
Vroege Karolingische tijd
Duidelijker is de geschiedenis van Ostfriesland pas vanaf de vroege Karolingische tijd aan te tonen. Toentertijd bestond er een groot Fries rijk, dat grote gedeelten van het huidige West-Friesland, Ostfriesland en gebieden tot aan de Weser omvatte en door koningen werd beheerst, wiens namen gedeeltelijk overgeleverd zijn. Een van deze Groot-Friese koningen is Radbod, waarom talrijke Ostfriesland sagen en verhalen zijn ontstaan. In talrijke plaatsen wordt hij bijvoorbeeld door middel van straatnamen geëerd.
Onderwerping door Karel de Grote
Het Groot-Friese rijk was slechts van relatief korte duur en viel met de onderwerping van het oostelijke Friesland door Karel de Grote in het jaar 785 ten deel aan de Franken. Onder Karel de Grote werd Ostfriesland in twee graafschappen verdeeld. In deze tijd begon de kerstening door de missionarissen Liudger en Willehad. Ostfriesland werd gedeeltelijk ingedeeld bij het bisdom Bremen en het andere gedeelte bij het bisdom Münster.
Met het verval van het Karolingerrijk maakte Ostfriesland zich los van haar vroegere bindingen. Er ontstond een verbond van zelfstandige gebieden met zelfbestuur, die ieder jaarlijks als hun vertegenwoordigers zogenaamde “Redjeven” (rechtsprekers, raadsmannen) kozen, die zowel de rechtspraak uitoefenden als ook het bestuur en de organisatie van hun gebied regelden. Zo bleef het in de Middeleeuwen in Europa verspreide feodalisme in Ostfriesland onbekend. De Friezen zagen zichzelf veelmeer als vrije mensen, die geen verplichtingen tegenover een overheid hadden.
Ieder jaar verzamelden zich tijdens deze periode, de zogenaamde “Friesische Freiheit”, die van de 12e tot in de 14e eeuw duurde, afgezanten van de zeven Friese zeelanden aan de Upstalboom bij Aurich, om daar recht te spreken en politieke beslissingen van bovenregionale betekenis te treffen.






