Na de Dertigjarige Oorlog in Ostfriesland

Na de Dertigjarige Oorlog

Nadat de orde weer hersteld was, kwam het tot een ongeëvenaarde machtsontwikkeling van de Oost-Friese standen, die zich daarmee verregaand onafhankelijk van de betreffende landsheren maakten. Dit leidde tot talrijke geschillen maar de poging, de landsheerlijke macht weer te herstellen faalde. Uit de toenmalige vertegenwoordiging van de Ostfriese standen kwam later de Ostfriesische Landschaft voort, die nog heden haar wapen voert, maar zich intussen van een politieke instelling tot een instelling voor cultuurzorg heeft veranderd.

Het vorstendom Ostfriesland kwam in deze tijden onder de invloed van Nederland te staan en nam dit politiek, cultureel en economisch tot voorbeeld. Het werd daadwerkelijk een satelliet van Nederland, dat op centrale plekken troepen stationeerde (bijv. in Leerort bij Leer).

In 1726/27 kwam het tot de zogenaamde “Appell-Krieg”, die zich uitte in een nieuw conflict tussen de vorsten Georg Albrecht en een deel van de standen, die zich in gehoorzame en een opstandige standen splitste. De vorst kwam als winnaar uit dit conflict tevoorschijn. Zelfs de aan de spits van de opstandige standen staande stad Emden onderwierp zich. Door de onbekwaamheid van onderhandelen van de kanselier van Georg Albrecht, Enno Rudolph Brenneysen, kwam het echter vervolgens niet tot een vreedzame overeenkomst tussen de conflictpartijen. Alhoewel kanselier en vorst een harde afstraffing van de opstandelingen eisten, kregen deze in 1732 van de keizer amnestie. Toen vorst Georg Albrecht op 11 juni 1734 stierf, nam Carl Edzard op de leeftijd van 18 jaar de ambtsbezigheden als laatste nog levende nakomeling van Georg Albrecht over. Ook hij kon de conflicten met de standen niet oplossen.

Rond deze tijd werd de koers voor de machtsovername van Pruisen in Ostfriesland uitgezet. Een belangrijke plek nam hierbij de stad Emden in, die na de Appell-Krieg politiek geïsoleerd en economisch sterk was verzwakt. Het doel moest nu zijn, Emden de positie als “hoofdstad van de stand” en handelsmetropool terug te geven. Vanaf 1740 overheerste in Emden de mening, dat dit doel met de hulp van Pruisen kon worden bereikt. Hiervoor moest een verdrag op worden gesteld, dat het Pruisische recht in Ostfriesland erkende. De economische positie van Emden zou door per contract vastgelegde beschermende maatregelen en bevorderingen worden ondersteund en de bestaande privileges van de stad worden bevestigd. De verhandelingen aan de Pruisische kant werden door de Direktorialrat van het Neder-Rijnse – Westfaalse rijksdistrict, Sebastian Anton Homfeld, gevoerd, die op 8 november 1740 een eerste ontwerp over de procedure in geval van het vrijkomen van een erfenis voorlegde. Homfeld gold als een van de toonaangevende vertegenwoordigers van de opstandige standen. Na aanvankelijke moeilijkheden sloot men daarop gebaseerd op 14 maart 1744 twee contracten af, die samenvattend de Emder Konvention worden genoemd. Ten eerste was er de Koninklijke Speciaal- Declaratie- en Veiligheidsakte, ten tweede de Agitatie- en Conventie-akte, waarin voornamelijk economische regelingen werden getroffen. Verder baseerde Pruisen zich op de door Keizer Leopold I in 1694 opgestelde Expektanz, die het recht op belening van het vorstendom Ostfriesland garandeerde, voor het geval, dat er geen mannelijke erfgenamen waren. Ondanks de weerstand van het koninkrijk Hannover zou Pruisen haar wil in de inspanning om Ostfriesland doordrijven. Na de dood van de laatste heerser Karl Edzard van de dynastie Cirksena nam Frederik de Grote in het jaar 1744 het graafschap Ostfriesland over.